Bayerische Gebirgsschweisshund

Contactpersoon - Mw. H. Hoenink (ema il)


Geschiedenis

De Bayrischer Gebirgsschweisshund heeft een nog niet al te lange geschiedenis. De jacht op gems steenbok en roodwild verlangde goede zweethonden, in die tijd had de Hannoveraan met zijn goede neus en rustig karakter al een goede naam opgebouwd. Zo kwam de Hannoveraan dus ook in de bergen van Beieren en Oostenrijk terecht, waar naar verloop van tijd bleek dat hij daar door zijn wat te zware voorkomen niet echt geschikt was voor de hoge en ruwe terreinen. Om toch de kwaliteiten van de Hannoveraan in de bergen te behouden Kruiste Baron Krag-Bebenburg uit Reichenhall, omstreeks 1870 de Hannoveraanse zweethond met de rode Bergbrakken. Daaruit ontstond de lichtere Gebirgsschweishund.
Baron Krag-Bebenburg heeft zich er voor ingezet dat deze hond de naam Bayrischer Gebirgsschweisshund mocht behouden. In aantal toenemend, verdrongen deze honden de andere plaatselijk gefokte brakken uit de bergen zodat de Bayrischer Gebirgsschweisshund de hedendaagse begeleider van de beroeps jager en boswachter is geworden.

Gezondheid

Dit ras kent geen erfelijke gebreken. Dat de hond geen gebreken heeft, komt omdat men de honden streng selecteert, daarmee bedoel ik dat de slechtere broeders uitgesloten worden van het fokken.
 

Karakter en gedrag

De Bayrischer Gebirgsschweisshund behoort tot de lopende jachthonden, daarnaast is hij samen met de Hannoveraanse zweethond ingedeeld onder het hoofdstuk zweethonden. Als hij werkt is hij kalm en zelf verzekerd. Hij is trouw aan zijn baas en voorzichtig met vreemden. De Bayrischer Gebirgsschweisshund is zeker geen hond die in een kennel buitenshuis gehouden moet worden. Dit kan zijn karakter en de band tussen baas en hond behoorlijk beïnvloeden in negatieve zin.
Thuis is hij aanhankelijk en alert op alles wat gebeurt in en om het huis. Als jonge hond gaat hij leuk en vriendelijk om met iedereen, maar dit verandert naarmate hij ouder wordt. Dit houd niet in dat hij agressief wordt maar juist voorzichtiger naar vreemden. Maar kent de hond iemand dan is er niets meer aan de hand.
De Bayrischer Gebirgsschweisshund heeft veel beweging nodig en het is belangrijk dat hij de kans krijgt om te doen waar hij uiteindelijk voor gefokt is, jagen en zweetwerk.
Aan de lijn lopen vindt hij niet erg plezierig, dit komt omdat gefokt is om vrij in de bergen te kunnen bewegen. Daar is het immers onmogelijk om met de hond aan de lijn en het geweer de bergen te beklimmen).
Dit ras wordt gefokt om mee te werken en is eigenlijk niet geschikt voor mensen die niet in de gelegenheid zijn, de hond voor de jacht in te zetten.
Daarom zult u ook nooit een hond in Duitsland of Oostenrijk krijgen zonder dat u uw jachtakte heeft getoond.
 

Werken met de Bayrischer Gebirgsschweisshund

De Bayrischer Gebirgsschweisshund is met name geschikt voor het zoeken naar, en stellen van Gems, Steenbok en Roodwild. Hiernaast is hij ook nog zeer geschikt voor het zweetwerk op alle grofwild soorten.
In de bergen zal hij dit niet aangelijnd doen, omdat hij op die manier een betere vrijheid heeft en de voorjager zal hem dan ook nauwelijks bij kunnen houden. Aangekomen bij het aangeschoten wild zal hij Hals geven (totverbellen), het kan ook zijn dat hij de voorjager ophaalt en naar het aangeschoten wild brengt, dit heet totverweisen.
 

FCI-STANDAARD 217 van 1-4-1996: Beknopte rasstandaard

De rasstandaard is alleen in het Duits (land van herkomst) of in het Engels te verkrijgen. Het betreft hier een beknopte uiteenzetting van de Duitse versie: FCI nr 217 van 1-4-1996

Algemeen beeld

De Bayrischer Gebirgsschweisshund is een lichte, zeer bewegelijke, middelhoge hond. Zijn lijf is iets langer dan hoog en zijn achterkant is licht overbouwd.
Hij heeft een zwaar gebit met 42 gezonde tanden en kiezen. Zijn ogen zijn helder, niet te groot en te rond, goed gesloten en hebben een alerte uitdrukking. De ogen zijn middel tot donker bruin zonder dat er enig wit is te zien.

Lichaam

Middelmatig lang, sterk en droog. Het is belangrijk dat hij sterk maar soepel in elkaar zit .

Haar

Dicht en ligt glad op de huid,  niet te veel glans en ruwer op de buik, poten en staart, fijner op de kop en oren.

Staart

Horizontaal of schuin omlaag. De staart lengte is tot op de middenvoet.

Kleur

De kleur van de vacht loopt van dieprood, hertenkleur, roodbruin, roodgeel, okergeel, tarwekleur, roodgrijs naar zelfs gevlamd of met vlekken.
De kleur van de snuit, oren, als mede de rug en staart is meestal meer intens of zelfs donkerder.
De meeste Bayerischer Gebirgsschweisshunde hebben een donker (zowat zwart) masker en oren.

Schofthoogte

De reuen mogen tussen de 47 en 52 cm schofthoogte zijn. De teven daarin tegen mogen tussen de 44 en 48 cm schoft hoogte zijn.

© 2015 Alle rechten voorbehouden. NBC

Maak een gratis websiteWebnode